Speak any language with confidence

Take our quick quiz to start your journey to fluency today!

Get started

Bitteren (to bitter) conjugation

Dutch
10 examples
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
bitter
bittert
bittert
bitteren
bitteren
bitteren
Present perfect tense
heb gebitterd
hebt gebitterd
heeft gebitterd
hebben gebitterd
hebben gebitterd
hebben gebitterd
Past tense
bitterde
bitterde
bitterde
bitterden
bitterden
bitterden
Future tense
zal bitteren
zult bitteren
zal bitteren
zullen bitteren
zullen bitteren
zullen bitteren
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou bitteren
zou bitteren
zou bitteren
zouden bitteren
zouden bitteren
zouden bitteren
Subjunctive mood
bittere
bittere
bittere
bittere
bittere
bittere
Past perfect tense
had gebitterd
had gebitterd
had gebitterd
hadden gebitterd
hadden gebitterd
hadden gebitterd
Future perf.
zal gebitterd hebben
zal gebitterd hebben
zal gebitterd hebben
zullen gebitterd hebben
zullen gebitterd hebben
zullen gebitterd hebben
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gebitterd hebben
zou gebitterd hebben
zou gebitterd hebben
zouden gebitterd hebben
zouden gebitterd hebben
zouden gebitterd hebben
Du
Ihr
Imperative mood
bitter
bittert

Examples of bitteren

Example in DutchTranslation in English
"Als het water van de zee naar de hemel gaat, is het niet langer bitter, maar weer zuiver."When the waters of the ocean rise to the heavens, they lose their bitterness to become pure again.
"Hanenstaarten hebben een bitter einde.""Rooster tails have a bitter end."
"Hanenstaarten hebben een bitter einde."Rooster tails have a bitter end.
"Hij leek bitter, in de verdediging.""He seemed bitter, defensive."
# I don't know when I got bitter #-** I don't know when I got bitter -**
"Heilige en allerbarmhartigste Heiland... lever ons niet over aan de bittere ellende van de eeuwige dood.""O holy and merciful Saviour, "deliver us not into the bitter pains of eternal death.
"Ik betwijfel het", zei de timmerman... en liet een bittere traan lopen.' "'I doubt it,' said the Carpenter, and shed a bitter tear."
"Later, in de bittere gloed van de schemering...""But it was later when the great man "squinted into the bitter glow of twilight--"
'De bittere pil'.The bitter pill.
'Tot het bittere einde.' Was dat niet de eed?"To the bitter end." Wasn't that the oath?

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

bibberen
shiver
bijleren
learn
bisseren
retake
dotteren
do
ketteren
curse
kotteren
cotter
letteren
do
matteren
mat
tetteren
holler
uitteren
atrophy
watteren
wad

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'bitter':

None found.