Stotteren (to stutter) conjugation

Dutch
21 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
stotter
I stutter
stottert
you stutter
stottert
he/she/it stutters
stotteren
we stutter
stotteren
you all stutter
stotteren
they stutter
Present perfect tense
heb gestotterd
I have stuttered
hebt gestotterd
you have stuttered
heeft gestotterd
he/she/it has stuttered
hebben gestotterd
we have stuttered
hebben gestotterd
you all have stuttered
hebben gestotterd
they have stuttered
Past tense
stotterde
I stuttered
stotterde
you stuttered
stotterde
he/she/it stuttered
stotterden
we stuttered
stotterden
you all stuttered
stotterden
they stuttered
Future tense
zal stotteren
I will stutter
zult stotteren
you will stutter
zal stotteren
he/she/it will stutter
zullen stotteren
we will stutter
zullen stotteren
you all will stutter
zullen stotteren
they will stutter
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou stotteren
I would stutter
zou stotteren
you would stutter
zou stotteren
he/she/it would stutter
zouden stotteren
we would stutter
zouden stotteren
you all would stutter
zouden stotteren
they would stutter
Subjunctive mood
stottere
I stutter
stottere
you stutter
stottere
he/she/it stutter
stottere
we stutter
stottere
you all stutter
stottere
they stutter
Past perfect tense
had gestotterd
I had stuttered
had gestotterd
you had stuttered
had gestotterd
he/she/it had stuttered
hadden gestotterd
we had stuttered
hadden gestotterd
you all had stuttered
hadden gestotterd
they had stuttered
Future perf.
zal gestotterd hebben
I will have stuttered
zal gestotterd hebben
you will have stuttered
zal gestotterd hebben
he/she/it will have stuttered
zullen gestotterd hebben
we will have stuttered
zullen gestotterd hebben
you all will have stuttered
zullen gestotterd hebben
they will have stuttered
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gestotterd hebben
I would have stuttered
zou gestotterd hebben
you would have stuttered
zou gestotterd hebben
he/she/it would have stuttered
zouden gestotterd hebben
we would have stuttered
zouden gestotterd hebben
you all would have stuttered
zouden gestotterd hebben
they would have stuttered
Du
Ihr
Imperative mood
stotter
stutter
stottert
stutter

Examples of stotteren

Example in DutchTranslation in English
- Maak je mijn stotteren belachelijk?Are you making fun of my stutter?
- Was ik aan het stotteren ofzo?Did I stutter? 8 feet.
- Wat? Stop met stotteren.Stop stuttering!
Als je blijft stotteren, gooi ik iets naar je hoofd.If you k-k-keep stuttering, I'm gonna t-t-throw something at you.
Als je het toegenomen aantal steekwonden en het feit dat hij hier geslapen heeft toevoegt aan de levende hallucinaties en het oncontroleerbare stotteren, krijg je de missende variabele.If you add the increased number of stab wounds and the fact that he slept here to the vivid hallucinations and the unexplainable onset of stuttering, you get the missing variable.
"En ik stotter er maar op los.""l-l-I'm stuttering l-l-l-like a goof."
'Normaal stotter ik dan.'"Normally I have a stutter."
- Gewoon Sean. Ik stotter soms.Just Sean, I stutter sometimes.
- Ik stotter toch niet.I ain't stutter none. Oh ho!
D-d-denken jullie echt dat ie me ontslagen heeft omdat ik s-s-s stotter?So, you.you...really think He fired me becau....because... I am a stutterer.
- Ang. Tevens, alleen mijn moeder noemt me Ang, en dat is omdat ze verschrikkelijke stottert.Also, only my mom calls me Ang, and that's 'cause she has a terrible stutter.
- Blauw, blauw, blauw. Als je maar niet stottert.I hope that's not a stutter.
- Je stottert lekker, Ken.That's quite a stutter you've got there, Ken.
- M'n zus stottert als ze boos is.Strategy? Sorry. My sister stutters when she's upset.
-Je lacht hem uit omdat hij stottert.Do you think it's nice to make fun of a person's stuttering?
Ik heb daarstraks gestotterd.I stuttered just now.
Als ze opgewonden werd, stotterde ze.I'm telling you when she gets excited she stuttered.
Andrew Scoville was een piloot die stotterde... hij veroorzaakte een schipbreuk.Andrew Scoville was Haven's harbor pilot who stuttered, caused a ship called The Princess to wreck.
Boggush stotterde en had problemen met zijn neusgaten.Boggush stuttered, and had problems with his mucous.
Het kon hen niet schelen dat ik stotterde en nauwelijks kon praten.And it didn't matter to them... that I stuttered, and I could barely speak.
Hij stotterde verschrikkelijk als kind. Hij kon amper praten.That he stuttered so badly as a child... he could barely talk.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

frotteren
frown
snotteren
snivel
spatteren
splash about
spetteren
splash
sputteren
sputter
stockeren
stock
stofferen
upholster
storneren
reverse
stuiteren
bounce
vlotteren
smooth tars

Similar but longer

Not found
We have none.

Random

stigmatiseren
do
stileren
edit
stommelen
blunder
stoppen
charge
storen
disturb
stoten
bump
stouwen
stow
streaken
streak
strepen
stripe
stukgaan
break

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'stutter':

None found.
Learning languages?