Bruisen (to fizz) conjugation

Dutch
12 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
bruis
I fizz
bruist
you fizz
bruist
he/she/it fizzes
bruisen
we fizz
bruisen
you all fizz
bruisen
they fizz
Present perfect tense
heb gebruist
I have fizzed
hebt gebruist
you have fizzed
heeft gebruist
he/she/it has fizzed
hebben gebruist
we have fizzed
hebben gebruist
you all have fizzed
hebben gebruist
they have fizzed
Past tense
bruiste
I fizzed
bruiste
you fizzed
bruiste
he/she/it fizzed
bruisten
we fizzed
bruisten
you all fizzed
bruisten
they fizzed
Future tense
zal bruisen
I will fizz
zult bruisen
you will fizz
zal bruisen
he/she/it will fizz
zullen bruisen
we will fizz
zullen bruisen
you all will fizz
zullen bruisen
they will fizz
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou bruisen
I would fizz
zou bruisen
you would fizz
zou bruisen
he/she/it would fizz
zouden bruisen
we would fizz
zouden bruisen
you all would fizz
zouden bruisen
they would fizz
Subjunctive mood
bruise
I fizz
bruise
you fizz
bruise
he/she/it fizz
bruise
we fizz
bruise
you all fizz
bruise
they fizz
Past perfect tense
had gebruist
I had fizzed
had gebruist
you had fizzed
had gebruist
he/she/it had fizzed
hadden gebruist
we had fizzed
hadden gebruist
you all had fizzed
hadden gebruist
they had fizzed
Future perf.
zal gebruist hebben
I will have fizzed
zal gebruist hebben
you will have fizzed
zal gebruist hebben
he/she/it will have fizzed
zullen gebruist hebben
we will have fizzed
zullen gebruist hebben
you all will have fizzed
zullen gebruist hebben
they will have fizzed
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gebruist hebben
I would have fizzed
zou gebruist hebben
you would have fizzed
zou gebruist hebben
he/she/it would have fizzed
zouden gebruist hebben
we would have fizzed
zouden gebruist hebben
you all would have fizzed
zouden gebruist hebben
they would have fizzed
Du
Ihr
Imperative mood
bruis
fizz
bruist
fizz

Examples of bruisen

Example in DutchTranslation in English
En ik begon te bruisen.And I started to fizz.
Hoort pudding te bruisen?Okay. Should pudding fizz?
Ik ben de snelle jetstoels op de heilige dobber aan het bruisen, zo snel als ik kan.I'm fizzing the popun yetsits on the holy bobber as fast as i can.
Maar het was het plofje en het bruisen dat echt indruk maakte.But it was the plop and the fizz that really dazzled them.
Er zit teveel bruis in deze drank.There's too much fizz in this drink.
Plat of bruis? Kraanwater.Flat or fizzy?
Plop, plop, bruis, bruisPlop, plop, fizz, fizz.
Alleen Pepto-Bepto bruist gegarandeerd twee keer. Voor het drinken en erna.Only Pepto-Bepto is guaranteed to fizz twice... once before you drink it and once after.
Dan voeg je dit toe. Kijk 's hoe het bruist.Then you add this, yo, and watch it fizzle.
Mijn drankje bruist.My drink is fizzy.
Nee nee nee, frisdrank bruist als je het opent.No no no, sodas fizz when you open 'em up.
Oké, dat bruist wel felOkay, that's really fizzy.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

brassen
brace
briesen
roar
britsen
do
brossen
do
browsen
do
bruinen
bronze
brullen
roar
cruisen
do
druisen
contrary
kruisen
cruise

Similar but longer

bekruisen
do
opbruisen
do

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'fizz':

None found.
Learning languages?