Afhakken (to hack) conjugation

Dutch
17 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
hak af
I hack
hakt af
you hack
hakt af
he/she/it hacks
hakken af
we hack
hakken af
you all hack
hakken af
they hack
Present perfect tense
heb afgehakt
I have hacked
hebt afgehakt
you have hacked
heeft afgehakt
he/she/it has hacked
hebben afgehakt
we have hacked
hebben afgehakt
you all have hacked
hebben afgehakt
they have hacked
Past tense
hakte af
I hacked
hakte af
you hacked
hakte af
he/she/it hacked
hakten af
we hacked
hakten af
you all hacked
hakten af
they hacked
Future tense
zal afhakken
I will hack
zult afhakken
you will hack
zal afhakken
he/she/it will hack
zullen afhakken
we will hack
zullen afhakken
you all will hack
zullen afhakken
they will hack
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou afhakken
I would hack
zou afhakken
you would hack
zou afhakken
he/she/it would hack
zouden afhakken
we would hack
zouden afhakken
you all would hack
zouden afhakken
they would hack
Subjunctive mood
hakke af
I hack
hakke af
you hack
hakke af
he/she/it hack
hakke af
we hack
hakke af
you all hack
hakke af
they hack
Past perfect tense
had afgehakt
I had hacked
had afgehakt
you had hacked
had afgehakt
he/she/it had hacked
hadden afgehakt
we had hacked
hadden afgehakt
you all had hacked
hadden afgehakt
they had hacked
Future perf.
zal afgehakt hebben
I will have hacked
zal afgehakt hebben
you will have hacked
zal afgehakt hebben
he/she/it will have hacked
zullen afgehakt hebben
we will have hacked
zullen afgehakt hebben
you all will have hacked
zullen afgehakt hebben
they will have hacked
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou afgehakt hebben
I would have hacked
zou afgehakt hebben
you would have hacked
zou afgehakt hebben
he/she/it would have hacked
zouden afgehakt hebben
we would have hacked
zouden afgehakt hebben
you all would have hacked
zouden afgehakt hebben
they would have hacked
Present bijzin tense
afhak
I hack
afhakt
you hack
afhakt
he/she/it hacks
afhakken
we hack
afhakken
you all hack
afhakken
they hack
Past bijzin tense
afhakte
I hacked
afhakte
you hacked
afhakte
he/she/it hacked
afhakten
we hacked
afhakten
you all hacked
afhakten
they hacked
Future bijzin tense
zal afhakken
I will hack
zult afhakken
you will hack
zal afhakken
he/she/it will hack
zullen afhakken
we will hack
zullen afhakken
you all will hack
zullen afhakken
they will hack
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou afhakken
I would hack
zou afhakken
you would hack
zou afhakken
he/she/it would hack
zouden afhakken
we would hack
zouden afhakken
you all would hack
zouden afhakken
they would hack
Subjunctive bijzin mood
afhakke
I hack
afhakke
you hack
afhakke
he/she/it hack
afhakke
we hack
afhakke
you all hack
afhakke
they hack
Du
Ihr
Imperative mood
hak af
hack
hakt af
hack

Examples of afhakken

Example in DutchTranslation in English
"In tegenstelling tot het afhakken van een ledemaat...""As opposed to hacking off a limb..."
Die moet ik er afhakken.I got to hack it off.
Een hoofd afhakken kan niet... maar gaatjes prikken lukt wel.It won't hack a man's head off, but it can poke him full of holes if you're quick enough.
Het is niet een stukje ijs afhakken.- This isn't like hacking a piece of ice.
Hij stond bekend om het stelselmatig afhakken van ledematen van zijn tegenstanders.He'd gotten a reputation for routinely hacking off the limbs of those who opposed him.
- Niet afgehakt, adjudant Gregson.Not hacked. Inspector Gregson.
Bij allen is de rechterwijsvinger afgehakt.And every one with the right forefinger hacked off.
Dat duivelse wijf heeft mijn vaders hoofd afgehakt.That evil bitch hacked my father's head off!
Dat ze afgehakt zijn met een soort mes.That they were hacked off by a blade of some kind.
De moordenaar moet haar kort daarna gepakt hebben en de voet hebben afgehakt.Killer must have nabbed her sometime after that and hacked off her foot.
flamberen bij een lekker glas sherry, voordat hij de rest van hun botten afhakt en invriest voor verdere consumptie.You know, flambé and eat it with a nice glass of sherry before he hacks off the rest of their limbs and freezes that for further consumption.
Een doodenge Poolse loodgieter die een hoofd afhakte van een Fransman.Terrifying Polish plumber who hacked off a Frenchman's head.
Heb je dat die meisjes voorgelezen voordat je hun handen afhakte?You read that to those girls before you hacked their hands off?
Ik hield een jongens vast terwijl mijn sergeant zijn arm er afhakte.I held a boy while my sergeant hacked his arm off.
Rede verklaart waarom hij haar hand afhakte.Reason explains why he hacked off her hand after?
Zachariah was zo boos dat ze hem achterlieten... dat hij z'n eigen arm er afhakte, terugliep naar het kamp... en toen al z'n maten dood hakte.Zachariah was so angry at them for leaving him he chopped off his arm to free himself, then went back to the lumber camp and hacked every one of his workmates to death.
Maar toen Nick en ik het hoofd van Jelly-man afhakten zaten we onder het bloed.But when Nick and I hacked off Jell-O Man's head, we were covered with blood.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

afbakken
bake
afbekken
do
afbikken
do
afdekken
cover up
afdokken
do
afhangen
depend
afhappen
depend
afharden
harden
afharken
do
aflakken
do
aflekken
do
aflikken
lick
aflokken
do
afmikken
do
afnokken
do

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'hack':

None found.
Learning languages?