Uitwonen (to fuck) conjugation

Dutch
vulgar

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
woon uit
I fuck
woont uit
you fuck
woont uit
he/she/it fucks
wonen uit
we fuck
wonen uit
you all fuck
wonen uit
they fuck
Present perfect tense
heb uitgewoond
I have fucked
hebt uitgewoond
you have fucked
heeft uitgewoond
he/she/it has fucked
hebben uitgewoond
we have fucked
hebben uitgewoond
you all have fucked
hebben uitgewoond
they have fucked
Past tense
woonde uit
I fucked
woonde uit
you fucked
woonde uit
he/she/it fucked
woonden uit
we fucked
woonden uit
you all fucked
woonden uit
they fucked
Future tense
zal uitwonen
I will fuck
zult uitwonen
you will fuck
zal uitwonen
he/she/it will fuck
zullen uitwonen
we will fuck
zullen uitwonen
you all will fuck
zullen uitwonen
they will fuck
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou uitwonen
I would fuck
zou uitwonen
you would fuck
zou uitwonen
he/she/it would fuck
zouden uitwonen
we would fuck
zouden uitwonen
you all would fuck
zouden uitwonen
they would fuck
Subjunctive mood
wone uit
I fuck
wone uit
you fuck
wone uit
he/she/it fuck
wone uit
we fuck
wone uit
you all fuck
wone uit
they fuck
Past perfect tense
had uitgewoond
I had fucked
had uitgewoond
you had fucked
had uitgewoond
he/she/it had fucked
hadden uitgewoond
we had fucked
hadden uitgewoond
you all had fucked
hadden uitgewoond
they had fucked
Future perf.
zal uitgewoond hebben
I will have fucked
zal uitgewoond hebben
you will have fucked
zal uitgewoond hebben
he/she/it will have fucked
zullen uitgewoond hebben
we will have fucked
zullen uitgewoond hebben
you all will have fucked
zullen uitgewoond hebben
they will have fucked
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou uitgewoond hebben
I would have fucked
zou uitgewoond hebben
you would have fucked
zou uitgewoond hebben
he/she/it would have fucked
zouden uitgewoond hebben
we would have fucked
zouden uitgewoond hebben
you all would have fucked
zouden uitgewoond hebben
they would have fucked
Present bijzin tense
uitwoon
I fuck
uitwoont
you fuck
uitwoont
he/she/it fucks
uitwonen
we fuck
uitwonen
you all fuck
uitwonen
they fuck
Past bijzin tense
uitwoonde
I fucked
uitwoonde
you fucked
uitwoonde
he/she/it fucked
uitwoonden
we fucked
uitwoonden
you all fucked
uitwoonden
they fucked
Future bijzin tense
zal uitwonen
I will fuck
zult uitwonen
you will fuck
zal uitwonen
he/she/it will fuck
zullen uitwonen
we will fuck
zullen uitwonen
you all will fuck
zullen uitwonen
they will fuck
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou uitwonen
I would fuck
zou uitwonen
you would fuck
zou uitwonen
he/she/it would fuck
zouden uitwonen
we would fuck
zouden uitwonen
you all would fuck
zouden uitwonen
they would fuck
Subjunctive bijzin mood
uitwone
I fuck
uitwone
you fuck
uitwone
he/she/it fuck
uitwone
we fuck
uitwone
you all fuck
uitwone
they fuck
Du
Ihr
Imperative mood
woon uit
fuck
woont uit
fuck

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

uitbenen
bone
uitlenen
lend out
uitvenen
do
uitwegen
weigh out
uitweken
do
uitwenen
do

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'fuck':

None found.
Learning languages?