Speak any language with confidence

Take our quick quiz to start your journey to fluency today!

Get started

Pontificeren (to do) conjugation

Dutch
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
pontificeer
pontificeert
pontificeert
pontificeren
pontificeren
pontificeren
Present perfect tense
heb gepontificeerd
hebt gepontificeerd
heeft gepontificeerd
hebben gepontificeerd
hebben gepontificeerd
hebben gepontificeerd
Past tense
pontificeerde
pontificeerde
pontificeerde
pontificeerden
pontificeerden
pontificeerden
Future tense
zal pontificeren
zult pontificeren
zal pontificeren
zullen pontificeren
zullen pontificeren
zullen pontificeren
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou pontificeren
zou pontificeren
zou pontificeren
zouden pontificeren
zouden pontificeren
zouden pontificeren
Subjunctive mood
pontificere
pontificere
pontificere
pontificere
pontificere
pontificere
Past perfect tense
had gepontificeerd
had gepontificeerd
had gepontificeerd
hadden gepontificeerd
hadden gepontificeerd
hadden gepontificeerd
Future perf.
zal gepontificeerd hebben
zal gepontificeerd hebben
zal gepontificeerd hebben
zullen gepontificeerd hebben
zullen gepontificeerd hebben
zullen gepontificeerd hebben
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gepontificeerd hebben
zou gepontificeerd hebben
zou gepontificeerd hebben
zouden gepontificeerd hebben
zouden gepontificeerd hebben
zouden gepontificeerd hebben
Du
Ihr
Imperative mood
pontificeer
pontificeert

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

Not found
We have none.

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'do':

None found.