Aanzanden (to slit up) conjugation

Dutch

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
zand aan
I slit up
zandt aan
you slit up
zandt aan
he/she/it slits up
zanden aan
we slit up
zanden aan
you all slit up
zanden aan
they slit up
Present perfect tense
heb aangezand
I have slit up
hebt aangezand
you have slit up
heeft aangezand
he/she/it has slit up
hebben aangezand
we have slit up
hebben aangezand
you all have slit up
hebben aangezand
they have slit up
Past tense
zandde aan
I slit up
zandde aan
you slit up
zandde aan
he/she/it slit up
zandden aan
we slit up
zandden aan
you all slit up
zandden aan
they slit up
Future tense
zal aanzanden
I will slit up
zult aanzanden
you will slit up
zal aanzanden
he/she/it will slit up
zullen aanzanden
we will slit up
zullen aanzanden
you all will slit up
zullen aanzanden
they will slit up
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou aanzanden
I would slit up
zou aanzanden
you would slit up
zou aanzanden
he/she/it would slit up
zouden aanzanden
we would slit up
zouden aanzanden
you all would slit up
zouden aanzanden
they would slit up
Subjunctive mood
zande aan
I slit up
zande aan
you slit up
zande aan
he/she/it slit up
zande aan
we slit up
zande aan
you all slit up
zande aan
they slit up
Past perfect tense
had aangezand
I had slit up
had aangezand
you had slit up
had aangezand
he/she/it had slit up
hadden aangezand
we had slit up
hadden aangezand
you all had slit up
hadden aangezand
they had slit up
Future perf.
zal aangezand hebben
I will have slit up
zal aangezand hebben
you will have slit up
zal aangezand hebben
he/she/it will have slit up
zullen aangezand hebben
we will have slit up
zullen aangezand hebben
you all will have slit up
zullen aangezand hebben
they will have slit up
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou aangezand hebben
I would have slit up
zou aangezand hebben
you would have slit up
zou aangezand hebben
he/she/it would have slit up
zouden aangezand hebben
we would have slit up
zouden aangezand hebben
you all would have slit up
zouden aangezand hebben
they would have slit up
Present bijzin tense
aanzand
I slit up
aanzandt
you slit up
aanzandt
he/she/it slits up
aanzanden
we slit up
aanzanden
you all slit up
aanzanden
they slit up
Past bijzin tense
aanzandde
I slit up
aanzandde
you slit up
aanzandde
he/she/it slit up
aanzandden
we slit up
aanzandden
you all slit up
aanzandden
they slit up
Future bijzin tense
zal aanzanden
I will slit up
zult aanzanden
you will slit up
zal aanzanden
he/she/it will slit up
zullen aanzanden
we will slit up
zullen aanzanden
you all will slit up
zullen aanzanden
they will slit up
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou aanzanden
I would slit up
zou aanzanden
you would slit up
zou aanzanden
he/she/it would slit up
zouden aanzanden
we would slit up
zouden aanzanden
you all would slit up
zouden aanzanden
they would slit up
Subjunctive bijzin mood
aanzande
I slit up
aanzande
you slit up
aanzande
he/she/it slit up
aanzande
we slit up
aanzande
you all slit up
aanzande
they slit up
Du
Ihr
Imperative mood
zand aan
slit up
zandt aan
slit up

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

aanbinden
do
aanlanden
land
aanranden
assault
aanwenden
increase
aanzaaien
do
aanzakken
do

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'slit up':

None found.
Learning languages?