Uitslepen (to expect) conjugation

Dutch

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
sleep uit
I expect
sleept uit
you expect
sleept uit
he/she/it expects
slepen uit
we expect
slepen uit
you all expect
slepen uit
they expect
Present perfect tense
heb uitgesleept
I have expected
hebt uitgesleept
you have expected
heeft uitgesleept
he/she/it has expected
hebben uitgesleept
we have expected
hebben uitgesleept
you all have expected
hebben uitgesleept
they have expected
Past tense
sleepte uit
I expected
sleepte uit
you expected
sleepte uit
he/she/it expected
sleepten uit
we expected
sleepten uit
you all expected
sleepten uit
they expected
Future tense
zal uitslepen
I will expect
zult uitslepen
you will expect
zal uitslepen
he/she/it will expect
zullen uitslepen
we will expect
zullen uitslepen
you all will expect
zullen uitslepen
they will expect
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou uitslepen
I would expect
zou uitslepen
you would expect
zou uitslepen
he/she/it would expect
zouden uitslepen
we would expect
zouden uitslepen
you all would expect
zouden uitslepen
they would expect
Subjunctive mood
slepe uit
I expect
slepe uit
you expect
slepe uit
he/she/it expect
slepe uit
we expect
slepe uit
you all expect
slepe uit
they expect
Past perfect tense
had uitgesleept
I had expected
had uitgesleept
you had expected
had uitgesleept
he/she/it had expected
hadden uitgesleept
we had expected
hadden uitgesleept
you all had expected
hadden uitgesleept
they had expected
Future perf.
zal uitgesleept hebben
I will have expected
zal uitgesleept hebben
you will have expected
zal uitgesleept hebben
he/she/it will have expected
zullen uitgesleept hebben
we will have expected
zullen uitgesleept hebben
you all will have expected
zullen uitgesleept hebben
they will have expected
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou uitgesleept hebben
I would have expected
zou uitgesleept hebben
you would have expected
zou uitgesleept hebben
he/she/it would have expected
zouden uitgesleept hebben
we would have expected
zouden uitgesleept hebben
you all would have expected
zouden uitgesleept hebben
they would have expected
Present bijzin tense
uitsleep
I expect
uitsleept
you expect
uitsleept
he/she/it expects
uitslepen
we expect
uitslepen
you all expect
uitslepen
they expect
Past bijzin tense
uitsleepte
I expected
uitsleepte
you expected
uitsleepte
he/she/it expected
uitsleepten
we expected
uitsleepten
you all expected
uitsleepten
they expected
Future bijzin tense
zal uitslepen
I will expect
zult uitslepen
you will expect
zal uitslepen
he/she/it will expect
zullen uitslepen
we will expect
zullen uitslepen
you all will expect
zullen uitslepen
they will expect
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou uitslepen
I would expect
zou uitslepen
you would expect
zou uitslepen
he/she/it would expect
zouden uitslepen
we would expect
zouden uitslepen
you all would expect
zouden uitslepen
they would expect
Subjunctive bijzin mood
uitslepe
I expect
uitslepe
you expect
uitslepe
he/she/it expect
uitslepe
we expect
uitslepe
you all expect
uitslepe
they expect
Du
Ihr
Imperative mood
sleep uit
expect
sleept uit
expect

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

uitdiepen
deepen
uitpoepen
excrete
uitroepen
proclaim
uitslapen
have sleep out
uitsloven
let go
uitsoppen
do

Similar but longer

uitsliepen
do

Random

uitpikken
pick off
uitponden
do
uitschilderen
portray
uitschrabben
do
uitschulpen
engrail
uitslapen
have sleep out
uitsliepen
do
uitspannen
unharness
uitspreken
pronounce
uitspuwen
spit out

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'expect':

None found.
Learning languages?