Sprokkelen (to gather) conjugation

Dutch
8 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
sprokkel
I gather
sprokkelt
you gather
sprokkelt
he/she/it gathers
sprokkelen
we gather
sprokkelen
you all gather
sprokkelen
they gather
Present perfect tense
heb gesprokkeld
I have gathered
hebt gesprokkeld
you have gathered
heeft gesprokkeld
he/she/it has gathered
hebben gesprokkeld
we have gathered
hebben gesprokkeld
you all have gathered
hebben gesprokkeld
they have gathered
Past tense
sprokkelde
I gathered
sprokkelde
you gathered
sprokkelde
he/she/it gathered
sprokkelden
we gathered
sprokkelden
you all gathered
sprokkelden
they gathered
Future tense
zal sprokkelen
I will gather
zult sprokkelen
you will gather
zal sprokkelen
he/she/it will gather
zullen sprokkelen
we will gather
zullen sprokkelen
you all will gather
zullen sprokkelen
they will gather
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou sprokkelen
I would gather
zou sprokkelen
you would gather
zou sprokkelen
he/she/it would gather
zouden sprokkelen
we would gather
zouden sprokkelen
you all would gather
zouden sprokkelen
they would gather
Subjunctive mood
sprokkele
I gather
sprokkele
you gather
sprokkele
he/she/it gather
sprokkele
we gather
sprokkele
you all gather
sprokkele
they gather
Past perfect tense
had gesprokkeld
I had gathered
had gesprokkeld
you had gathered
had gesprokkeld
he/she/it had gathered
hadden gesprokkeld
we had gathered
hadden gesprokkeld
you all had gathered
hadden gesprokkeld
they had gathered
Future perf.
zal gesprokkeld hebben
I will have gathered
zal gesprokkeld hebben
you will have gathered
zal gesprokkeld hebben
he/she/it will have gathered
zullen gesprokkeld hebben
we will have gathered
zullen gesprokkeld hebben
you all will have gathered
zullen gesprokkeld hebben
they will have gathered
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gesprokkeld hebben
I would have gathered
zou gesprokkeld hebben
you would have gathered
zou gesprokkeld hebben
he/she/it would have gathered
zouden gesprokkeld hebben
we would have gathered
zouden gesprokkeld hebben
you all would have gathered
zouden gesprokkeld hebben
they would have gathered
Du
Ihr
Imperative mood
sprokkel
gather
sprokkelt
gather

Examples of sprokkelen

Example in DutchTranslation in English
- Kom, we gaan hout sprokkelen.- Help me gather some wood.
Je oom en de tweeling gaan hout sprokkelen, kom je ook mee?So, your Uncle Rob and the twins are gathering wood. You want to join?
Maak een vuur. Voer de dieren. Ga hout sprokkelen.See to the fire, feed the animals, gather the wood...
Nu oma dement raakte, kwam het huis- houden, het sprokkelen van brandhout... en het werk op het veld geheel op hem neer.As Grandmother lost her wits, all the housework, the gathering of fuel and the field work fell to him
Ok, We moeten gaan sprokkelen...Okay, we need to gather -
Freddie doet vooropgesteld niet mee en sprokkelt wat in deze "business" het meest waardevol is, bij elkaar-- namelijk informatie.Now, Freddie is purposefully out and about gathering what in this business is the most valuable commodity- information.
Quo sprokkelt hout.- Quo's out gathering wood.
Op 26 juli sprokkelde Battel vrachtwagens bijeen... en reed naar het getto om de Joden weg te halen die voor het leger werkten.On the 26th July Battel gathered trucks together and drove up to the ghetto to take away the Jews who worked for the army.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

sprankelen
do
sprenkelen
sprinkle

Similar but longer

Not found
We have none.

Random

snerpen
shrill
souperen
sup
spieden
spy
spijkeren
nail
sproeien
spray
spruiten
sprout
sputteren
sputter
stallen
stable
stationeren
station
steken
stab

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'gather':

None found.
Learning languages?