Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

terugdoen

to reward

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of terugdoen

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
doe terug
I reward
doet terug
you reward
doet terug
he/she/it rewards
doen terug
we reward
doen terug
you all reward
doen terug
they reward
Present perfect tense
heb teruggedaan
I have rewarded
hebt teruggedaan
you have rewarded
heeft teruggedaan
he/she/it has rewarded
hebben teruggedaan
we have rewarded
hebben teruggedaan
you all have rewarded
hebben teruggedaan
they have rewarded
Past tense
deed terug
I rewarded
deed terug
you rewarded
deed terug
he/she/it rewarded
deden terug
we rewarded
deden terug
you all rewarded
deden terug
they rewarded
Future tense
zal terugdoen
I will reward
zult terugdoen
you will reward
zal terugdoen
he/she/it will reward
zullen terugdoen
we will reward
zullen terugdoen
you all will reward
zullen terugdoen
they will reward
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou terugdoen
I would reward
zou terugdoen
you would reward
zou terugdoen
he/she/it would reward
zouden terugdoen
we would reward
zouden terugdoen
you all would reward
zouden terugdoen
they would reward
Subjunctive mood
doe terug
I reward
doe terug
you reward
doe terug
he/she/it reward
doe terug
we reward
doe terug
you all reward
doe terug
they reward
Past perfect tense
had teruggedaan
I had rewarded
had teruggedaan
you had rewarded
had teruggedaan
he/she/it had rewarded
hadden teruggedaan
we had rewarded
hadden teruggedaan
you all had rewarded
hadden teruggedaan
they had rewarded
Future perf.
zal teruggedaan hebben
I will have rewarded
zal teruggedaan hebben
you will have rewarded
zal teruggedaan hebben
he/she/it will have rewarded
zullen teruggedaan hebben
we will have rewarded
zullen teruggedaan hebben
you all will have rewarded
zullen teruggedaan hebben
they will have rewarded
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou teruggedaan hebben
I would have rewarded
zou teruggedaan hebben
you would have rewarded
zou teruggedaan hebben
he/she/it would have rewarded
zouden teruggedaan hebben
we would have rewarded
zouden teruggedaan hebben
you all would have rewarded
zouden teruggedaan hebben
they would have rewarded
Present bijzin tense
terugdoe
I reward
terugdoet
you reward
terugdoet
he/she/it rewards
terugdoen
we reward
terugdoen
you all reward
terugdoen
they reward
Past bijzin tense
terugdeed
I rewarded
terugdeed
you rewarded
terugdeed
he/she/it rewarded
terugdeden
we rewarded
terugdeden
you all rewarded
terugdeden
they rewarded
Future bijzin tense
zal terugdoen
I will reward
zult terugdoen
you will reward
zal terugdoen
he/she/it will reward
zullen terugdoen
we will reward
zullen terugdoen
you all will reward
zullen terugdoen
they will reward
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou terugdoen
I would reward
zou terugdoen
you would reward
zou terugdoen
he/she/it would reward
zouden terugdoen
we would reward
zouden terugdoen
you all would reward
zouden terugdoen
they would reward
Subjunctive bijzin mood
terugdoe
I reward
terugdoe
you reward
terugdoe
he/she/it reward
terugdoe
we reward
terugdoe
you all reward
terugdoe
they reward
Du
Ihr
Imperative mood
doe terug
reward
doet terug
reward

Further details about this page

LOCATION