Opschonen (to clean) conjugation

Dutch
18 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
schoon op
I clean
schoont op
you clean
schoont op
he/she/it cleans
schonen op
we clean
schonen op
you all clean
schonen op
they clean
Present perfect tense
heb opgeschoond
I have cleaned
hebt opgeschoond
you have cleaned
heeft opgeschoond
he/she/it has cleaned
hebben opgeschoond
we have cleaned
hebben opgeschoond
you all have cleaned
hebben opgeschoond
they have cleaned
Past tense
schoonde op
I cleaned
schoonde op
you cleaned
schoonde op
he/she/it cleaned
schoonden op
we cleaned
schoonden op
you all cleaned
schoonden op
they cleaned
Future tense
zal opschonen
I will clean
zult opschonen
you will clean
zal opschonen
he/she/it will clean
zullen opschonen
we will clean
zullen opschonen
you all will clean
zullen opschonen
they will clean
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou opschonen
I would clean
zou opschonen
you would clean
zou opschonen
he/she/it would clean
zouden opschonen
we would clean
zouden opschonen
you all would clean
zouden opschonen
they would clean
Subjunctive mood
schone op
I clean
schone op
you clean
schone op
he/she/it clean
schone op
we clean
schone op
you all clean
schone op
they clean
Past perfect tense
had opgeschoond
I had cleaned
had opgeschoond
you had cleaned
had opgeschoond
he/she/it had cleaned
hadden opgeschoond
we had cleaned
hadden opgeschoond
you all had cleaned
hadden opgeschoond
they had cleaned
Future perf.
zal opgeschoond hebben
I will have cleaned
zal opgeschoond hebben
you will have cleaned
zal opgeschoond hebben
he/she/it will have cleaned
zullen opgeschoond hebben
we will have cleaned
zullen opgeschoond hebben
you all will have cleaned
zullen opgeschoond hebben
they will have cleaned
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou opgeschoond hebben
I would have cleaned
zou opgeschoond hebben
you would have cleaned
zou opgeschoond hebben
he/she/it would have cleaned
zouden opgeschoond hebben
we would have cleaned
zouden opgeschoond hebben
you all would have cleaned
zouden opgeschoond hebben
they would have cleaned
Present bijzin tense
opschoon
I clean
opschoont
you clean
opschoont
he/she/it cleans
opschonen
we clean
opschonen
you all clean
opschonen
they clean
Past bijzin tense
opschoonde
I cleaned
opschoonde
you cleaned
opschoonde
he/she/it cleaned
opschoonden
we cleaned
opschoonden
you all cleaned
opschoonden
they cleaned
Future bijzin tense
zal opschonen
I will clean
zult opschonen
you will clean
zal opschonen
he/she/it will clean
zullen opschonen
we will clean
zullen opschonen
you all will clean
zullen opschonen
they will clean
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou opschonen
I would clean
zou opschonen
you would clean
zou opschonen
he/she/it would clean
zouden opschonen
we would clean
zouden opschonen
you all would clean
zouden opschonen
they would clean
Subjunctive bijzin mood
opschone
I clean
opschone
you clean
opschone
he/she/it clean
opschone
we clean
opschone
you all clean
opschone
they clean
Du
Ihr
Imperative mood
schoon op
clean
schoont op
clean

Examples of opschonen

Example in DutchTranslation in English
Ben mij aan het opschonen.I'm cleaning up my act.
Claire, we moeten hem opschonen.Claire, we gotta clean him up, so bring all the first aid supplies you can find.
Dat betekent dat we de hele operatie moeten opschonen.That means I need the entire operation cleaned up.
De GCPD opschonen. Gotham veranderen.You were going to clean up the GCPD..., change Gotham.
De Millenniumgroep kan 't voor ons opschonen.The Millennium Group has someone who can clean it up for us.
- Hij maakt wc's schoon op het vliegveld.Yes, he cleans toilets at the airport.
- Longen waren schoon op de CT.Lungs were clean on the CT.
- Waarom maak je niet schoon op het strand?- Why don't you clean this crap up off the beach?
Hij maakt vis schoon op een trawler in San Pedro.He cleans fish on a trawler in San Pedro.
Nu, pak dat licht spul op en maak de rotzooi schoon op de set.Now, grab that light stuff and make clean up the mess on the set.
Een campagne-hervormingswet verdedigen... waarmee campagnes niet zijn opgeschoond.--defending a campaign-reform law that hasn 't cleaned up campaigns.
Heb me opgeschoond voor de tocht.I cleaned up for the trek.
Het heeft zichzelf opgeschoond.It cleaned itself.
Het schijnt dat hij z'n act opgeschoond heeft.I hear he's cleaned up his act. He don't do any drugs or drink... hardly.
Hij heeft Farmington opgeschoond, en zal het doen met LA.He's cleaned up Farmington He's gonna clean up LA
En als ik dat deed, ik weet hoe je een zoekopdracht cache opschoont. Oké, bedankt.And if I did, I know how to scrub a search cache clean.
ik wil, dat jij het paspoort bestand opschoont.I need you to clean up the passport file.
Ik wilde de molen draaiend houden terwijl ik hem opschoonde.I wanted to keep the mill going while I cleaned it up.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

opschalen
do
opschepen
inflict
opscheren
do
opschuren
sand

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'clean':

None found.
Learning languages?