Afschrikken (to do) conjugation

Dutch
11 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
schrik af
I do
schrikt af
you do
schrikt af
he/she/it does
schrikken af
we do
schrikken af
you all do
schrikken af
they do
Present perfect tense
heb afgeschrikt
I have done
hebt afgeschrikt
you have done
heeft afgeschrikt
he/she/it has done
hebben afgeschrikt
we have done
hebben afgeschrikt
you all have done
hebben afgeschrikt
they have done
Past tense
schrikte af
I did
schrikte af
you did
schrikte af
he/she/it did
schrikten af
we did
schrikten af
you all did
schrikten af
they did
Future tense
zal afschrikken
I will do
zult afschrikken
you will do
zal afschrikken
he/she/it will do
zullen afschrikken
we will do
zullen afschrikken
you all will do
zullen afschrikken
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou afschrikken
I would do
zou afschrikken
you would do
zou afschrikken
he/she/it would do
zouden afschrikken
we would do
zouden afschrikken
you all would do
zouden afschrikken
they would do
Subjunctive mood
schrikke af
I do
schrikke af
you do
schrikke af
he/she/it do
schrikke af
we do
schrikke af
you all do
schrikke af
they do
Past perfect tense
had afgeschrikt
I had done
had afgeschrikt
you had done
had afgeschrikt
he/she/it had done
hadden afgeschrikt
we had done
hadden afgeschrikt
you all had done
hadden afgeschrikt
they had done
Future perf.
zal afgeschrikt hebben
I will have done
zal afgeschrikt hebben
you will have done
zal afgeschrikt hebben
he/she/it will have done
zullen afgeschrikt hebben
we will have done
zullen afgeschrikt hebben
you all will have done
zullen afgeschrikt hebben
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou afgeschrikt hebben
I would have done
zou afgeschrikt hebben
you would have done
zou afgeschrikt hebben
he/she/it would have done
zouden afgeschrikt hebben
we would have done
zouden afgeschrikt hebben
you all would have done
zouden afgeschrikt hebben
they would have done
Present bijzin tense
afschrik
I do
afschrikt
you do
afschrikt
he/she/it does
afschrikken
we do
afschrikken
you all do
afschrikken
they do
Past bijzin tense
afschrikte
I did
afschrikte
you did
afschrikte
he/she/it did
afschrikten
we did
afschrikten
you all did
afschrikten
they did
Future bijzin tense
zal afschrikken
I will do
zult afschrikken
you will do
zal afschrikken
he/she/it will do
zullen afschrikken
we will do
zullen afschrikken
you all will do
zullen afschrikken
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou afschrikken
I would do
zou afschrikken
you would do
zou afschrikken
he/she/it would do
zouden afschrikken
we would do
zouden afschrikken
you all would do
zouden afschrikken
they would do
Subjunctive bijzin mood
afschrikke
I do
afschrikke
you do
afschrikke
he/she/it do
afschrikke
we do
afschrikke
you all do
afschrikke
they do
Du
Ihr
Imperative mood
schrik af
do
schrikt af
do

Examples of afschrikken

Example in DutchTranslation in English
- Nee, ik wil geen mensen afschrikken.No I don't want to put off someone coming forward with something real.
-Dat zou ze alleen maar afschrikken.We don't want anything to scare them away.
Als dat je niet afschrikt, zal niets je afschrikken.If that doesn't put you off, nothing will.
Als het bekend wordt over de rat, zal het onze nieuwe bondgenoten afschrikken... en alles zal op ons terecht komen.Word gets out about a rat, it is gonna spook our new alliances and blow back on everything we're trying to do.
Als het van mijn reputatie afhing of een vrouw met me wil vrijen of niet... dan zou dat ze afschrikken... en dan zou ik elke avond met de handkar moeten gaan.If every girl I met decided to sleep with me or not on mine... they would be scared off... and I'd be doing the five-finger knuckle shuffle every night.
We moeten niet met z'n allen gaan. Dat schrikt af.You don't want everyone stomping around up there, scaring people away.
- Nietwaar. Als dat je niet afschrikt, wat dan wel?If that doesn't scare you off, nothing will.
Als dat hem niet afschrikt, schrikt hij nergens van.Well, then Chris is meeting my mother for no reason. If that doesn't scare him off, nothing will.
Als dat je niet afschrikt, zal niets je afschrikken.If that doesn't put you off, nothing will.
Dat dit eliminatiespel het soort van willekeurige stedelijke nachtmerries is wat het 11.00 uur nieuws pakt en de toeristen afschrikt terug naar Indiana.That this knockout game is just the kind of random urban nightmare that gooses the 11:00 news and scares the tourists back to Indiana.
Denkt u dat het haar afschrikt?You don't think it will scare her, do you?

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

afschrijven
do

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'do':

None found.
Learning languages?

Receive top verbs, tips and our newsletter free!

Languages Interested In