Afbetalen (to pay off) conjugation

Dutch
16 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
betaal af
I pay off
betaalt af
you pay off
betaalt af
he/she/it pays off
betalen af
we pay off
betalen af
you all pay off
betalen af
they pay off
Present perfect tense
heb afbetaald
I have paid off
hebt afbetaald
you have paid off
heeft afbetaald
he/she/it has paid off
hebben afbetaald
we have paid off
hebben afbetaald
you all have paid off
hebben afbetaald
they have paid off
Past tense
betaalde af
I paid off
betaalde af
you paid off
betaalde af
he/she/it paid off
betaalden af
we paid off
betaalden af
you all paid off
betaalden af
they paid off
Future tense
zal afbetalen
I will pay off
zult afbetalen
you will pay off
zal afbetalen
he/she/it will pay off
zullen afbetalen
we will pay off
zullen afbetalen
you all will pay off
zullen afbetalen
they will pay off
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou afbetalen
I would pay off
zou afbetalen
you would pay off
zou afbetalen
he/she/it would pay off
zouden afbetalen
we would pay off
zouden afbetalen
you all would pay off
zouden afbetalen
they would pay off
Subjunctive mood
betale af
I pay off
betale af
you pay off
betale af
he/she/it pay off
betale af
we pay off
betale af
you all pay off
betale af
they pay off
Past perfect tense
had afbetaald
I had paid off
had afbetaald
you had paid off
had afbetaald
he/she/it had paid off
hadden afbetaald
we had paid off
hadden afbetaald
you all had paid off
hadden afbetaald
they had paid off
Future perf.
zal afbetaald hebben
I will have paid off
zal afbetaald hebben
you will have paid off
zal afbetaald hebben
he/she/it will have paid off
zullen afbetaald hebben
we will have paid off
zullen afbetaald hebben
you all will have paid off
zullen afbetaald hebben
they will have paid off
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou afbetaald hebben
I would have paid off
zou afbetaald hebben
you would have paid off
zou afbetaald hebben
he/she/it would have paid off
zouden afbetaald hebben
we would have paid off
zouden afbetaald hebben
you all would have paid off
zouden afbetaald hebben
they would have paid off
Present bijzin tense
afbetaal
I pay off
afbetaalt
you pay off
afbetaalt
he/she/it pays off
afbetalen
we pay off
afbetalen
you all pay off
afbetalen
they pay off
Past bijzin tense
afbetaalde
I paid off
afbetaalde
you paid off
afbetaalde
he/she/it paid off
afbetaalden
we paid off
afbetaalden
you all paid off
afbetaalden
they paid off
Future bijzin tense
zal afbetalen
I will pay off
zult afbetalen
you will pay off
zal afbetalen
he/she/it will pay off
zullen afbetalen
we will pay off
zullen afbetalen
you all will pay off
zullen afbetalen
they will pay off
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou afbetalen
I would pay off
zou afbetalen
you would pay off
zou afbetalen
he/she/it would pay off
zouden afbetalen
we would pay off
zouden afbetalen
you all would pay off
zouden afbetalen
they would pay off
Subjunctive bijzin mood
afbetale
I pay off
afbetale
you pay off
afbetale
he/she/it pay off
afbetale
we pay off
afbetale
you all pay off
afbetale
they pay off
Du
Ihr
Imperative mood
betaal af
pay off
betaalt af
pay off

Examples of afbetalen

Example in DutchTranslation in English
'We doen nog één roof dan kunnen we Tony Roe afbetalen.' Dat zei jij, weet je nog?"We do one more heist... we can pay off Tony Roe." That was you, remember?
- Dan kunnen we onze schulden afbetalen.We can pay off Varus!
- Ik maak met deze film toch zoveel geld dat ik de boerderij kan afbetalen. en aandelen kopen.I'm gonna make so much money on this job anyway, I can... pay off the ranch. Stock it.
- Je kunt die er inderdaad mee afbetalen.- Exactly, you could pay off your morgage.
- Zullen die plannen de Meta's afbetalen?Are those plans gonna pay off the Metas?
- Dus de schuld is nu afbetaald, waarom hang je daar dan nog steeds rond?so now that the debt's paid off, why do you still hang out there?
- Heb je haar schuld afbetaald?- You paid off her debt?
- Nee, je hebt het deze keer afbetaald.You paid off today's debt, sunshine.
- Omdat in de laatste paar uur... mijn informant een schuld van 250.000 dollar aan Vic Small afbetaald heeft... met geld van de belastingsdienst.-Because in the last few hours my informant paid off a $250,000 debt to Vic Small with Franchise Tax Board money.
- Wat, dat was bijna afbetaald.What? Well, that was almost paid off.
Nog twee jaar en ik garandeer dat jij je studenten leningen afbetaalt en geld overhoudt.Another two, and I guarantee you'll pay off all your student loans with cash to spare.
Degene die Giles McNamara afbetaalde.The one Giles McNamara paid off.
Goldman 60.000 dollar aan studie schuld afbetaalde. Maar hoe kan...Goldman paid off $60,000 of her student loans.
Het is mogelijk, dat ze werkte voor wie dan ook Alphonse afbetaalde.It is possible she's working for whoever paid off Alphonse.
Je betaalde de maffia af voor je bank afbetaalde.They paid off the Mafia before you pay off a bank.
Je zei dat hij jullie hypotheek afbetaalde in contanten.You said he paid off your mortgage in cash.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

afbedelen
do

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'pay off':

None found.
Learning languages?