Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

aanhoesten

to do

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of aanhoesten

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
hoest aan
I do
hoest aan
you do
hoest aan
he/she/it does
hoesten aan
we do
hoesten aan
you all do
hoesten aan
they do
Present perfect tense
heb aangehoest
I have done
hebt aangehoest
you have done
heeft aangehoest
he/she/it has done
hebben aangehoest
we have done
hebben aangehoest
you all have done
hebben aangehoest
they have done
Past tense
hoestte aan
I did
hoestte aan
you did
hoestte aan
he/she/it did
hoestten aan
we did
hoestten aan
you all did
hoestten aan
they did
Future tense
zal aanhoesten
I will do
zult aanhoesten
you will do
zal aanhoesten
he/she/it will do
zullen aanhoesten
we will do
zullen aanhoesten
you all will do
zullen aanhoesten
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou aanhoesten
I would do
zou aanhoesten
you would do
zou aanhoesten
he/she/it would do
zouden aanhoesten
we would do
zouden aanhoesten
you all would do
zouden aanhoesten
they would do
Subjunctive mood
hoeste aan
I do
hoeste aan
you do
hoeste aan
he/she/it do
hoeste aan
we do
hoeste aan
you all do
hoeste aan
they do
Past perfect tense
had aangehoest
I had done
had aangehoest
you had done
had aangehoest
he/she/it had done
hadden aangehoest
we had done
hadden aangehoest
you all had done
hadden aangehoest
they had done
Future perf.
zal aangehoest hebben
I will have done
zal aangehoest hebben
you will have done
zal aangehoest hebben
he/she/it will have done
zullen aangehoest hebben
we will have done
zullen aangehoest hebben
you all will have done
zullen aangehoest hebben
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou aangehoest hebben
I would have done
zou aangehoest hebben
you would have done
zou aangehoest hebben
he/she/it would have done
zouden aangehoest hebben
we would have done
zouden aangehoest hebben
you all would have done
zouden aangehoest hebben
they would have done
Present bijzin tense
aanhoest
I do
aanhoest
you do
aanhoest
he/she/it does
aanhoesten
we do
aanhoesten
you all do
aanhoesten
they do
Past bijzin tense
aanhoestte
I did
aanhoestte
you did
aanhoestte
he/she/it did
aanhoestten
we did
aanhoestten
you all did
aanhoestten
they did
Future bijzin tense
zal aanhoesten
I will do
zult aanhoesten
you will do
zal aanhoesten
he/she/it will do
zullen aanhoesten
we will do
zullen aanhoesten
you all will do
zullen aanhoesten
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou aanhoesten
I would do
zou aanhoesten
you would do
zou aanhoesten
he/she/it would do
zouden aanhoesten
we would do
zouden aanhoesten
you all would do
zouden aanhoesten
they would do
Subjunctive bijzin mood
aanhoeste
I do
aanhoeste
you do
aanhoeste
he/she/it do
aanhoeste
we do
aanhoeste
you all do
aanhoeste
they do
Du
Ihr
Imperative mood
hoest aan
do
hoest aan
do

Further details about this page

LOCATION