Vooropstaan (to prevail) conjugation

Dutch

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
sta voorop
I prevail
staat voorop
you prevail
staat voorop
he/she/it prevails
staan voorop
we prevail
staan voorop
you all prevail
staan voorop
they prevail
Present perfect tense
heb vooropgestaan
I have prevailed
hebt vooropgestaan
you have prevailed
heeft vooropgestaan
he/she/it has prevailed
hebben vooropgestaan
we have prevailed
hebben vooropgestaan
you all have prevailed
hebben vooropgestaan
they have prevailed
Past tense
stond voorop
I prevailed
stond voorop
you prevailed
stond voorop
he/she/it prevailed
stonden voorop
we prevailed
stonden voorop
you all prevailed
stonden voorop
they prevailed
Future tense
zal vooropstaan
I will prevail
zult vooropstaan
you will prevail
zal vooropstaan
he/she/it will prevail
zullen vooropstaan
we will prevail
zullen vooropstaan
you all will prevail
zullen vooropstaan
they will prevail
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou vooropstaan
I would prevail
zou vooropstaan
you would prevail
zou vooropstaan
he/she/it would prevail
zouden vooropstaan
we would prevail
zouden vooropstaan
you all would prevail
zouden vooropstaan
they would prevail
Subjunctive mood
sta voorop
I prevail
sta voorop
you prevail
sta voorop
he/she/it prevail
sta voorop
we prevail
sta voorop
you all prevail
sta voorop
they prevail
Past perfect tense
had vooropgestaan
I had prevailed
had vooropgestaan
you had prevailed
had vooropgestaan
he/she/it had prevailed
hadden vooropgestaan
we had prevailed
hadden vooropgestaan
you all had prevailed
hadden vooropgestaan
they had prevailed
Future perf.
zal vooropgestaan hebben
I will have prevailed
zal vooropgestaan hebben
you will have prevailed
zal vooropgestaan hebben
he/she/it will have prevailed
zullen vooropgestaan hebben
we will have prevailed
zullen vooropgestaan hebben
you all will have prevailed
zullen vooropgestaan hebben
they will have prevailed
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou vooropgestaan hebben
I would have prevailed
zou vooropgestaan hebben
you would have prevailed
zou vooropgestaan hebben
he/she/it would have prevailed
zouden vooropgestaan hebben
we would have prevailed
zouden vooropgestaan hebben
you all would have prevailed
zouden vooropgestaan hebben
they would have prevailed
Present bijzin tense
vooropsta
I prevail
vooropstaat
you prevail
vooropstaat
he/she/it prevails
vooropstaan
we prevail
vooropstaan
you all prevail
vooropstaan
they prevail
Past bijzin tense
vooropstond
I prevailed
vooropstond
you prevailed
vooropstond
he/she/it prevailed
vooropstonden
we prevailed
vooropstonden
you all prevailed
vooropstonden
they prevailed
Future bijzin tense
zal vooropstaan
I will prevail
zult vooropstaan
you will prevail
zal vooropstaan
he/she/it will prevail
zullen vooropstaan
we will prevail
zullen vooropstaan
you all will prevail
zullen vooropstaan
they will prevail
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou vooropstaan
I would prevail
zou vooropstaan
you would prevail
zou vooropstaan
he/she/it would prevail
zouden vooropstaan
we would prevail
zouden vooropstaan
you all would prevail
zouden vooropstaan
they would prevail
Subjunctive bijzin mood
vooropsta
I prevail
vooropsta
you prevail
vooropsta
he/she/it prevail
vooropsta
we prevail
vooropsta
you all prevail
vooropsta
they prevail
Du
Ihr
Imperative mood
sta voorop
prevail
staat voorop
prevail

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

Not found
We have none.

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'prevail':

None found.
Learning languages?