Conjugation
Etymology
Blog
Courses
Get a Dutch Tutor
Conjugation
Etymology
Blog
vaststaan
to spike
Conjugation
Details
Looking for learning resources?
Study with our courses!
Get a full course →
Conjugation
of
vaststaan
Translation
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
sta vast
I spike
staat vast
you spike
staat vast
he/she/it spikes
staan vast
we spike
staan vast
you all spike
staan vast
they spike
Present perfect tense
heb vastgestaan
I have spiked
hebt vastgestaan
you have spiked
heeft vastgestaan
he/she/it has spiked
hebben vastgestaan
we have spiked
hebben vastgestaan
you all have spiked
hebben vastgestaan
they have spiked
Past tense
stond vast
I spiked
stond vast
you spiked
stond vast
he/she/it spiked
stonden vast
we spiked
stonden vast
you all spiked
stonden vast
they spiked
Future tense
zal vaststaan
I will spike
zult vaststaan
you will spike
zal vaststaan
he/she/it will spike
zullen vaststaan
we will spike
zullen vaststaan
you all will spike
zullen vaststaan
they will spike
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou vaststaan
I would spike
zou vaststaan
you would spike
zou vaststaan
he/she/it would spike
zouden vaststaan
we would spike
zouden vaststaan
you all would spike
zouden vaststaan
they would spike
Subjunctive mood
sta vast
I spike
sta vast
you spike
sta vast
he/she/it spike
sta vast
we spike
sta vast
you all spike
sta vast
they spike
Past perfect tense
had vastgestaan
I had spiked
had vastgestaan
you had spiked
had vastgestaan
he/she/it had spiked
hadden vastgestaan
we had spiked
hadden vastgestaan
you all had spiked
hadden vastgestaan
they had spiked
Future perf.
zal vastgestaan hebben
I will have spiked
zal vastgestaan hebben
you will have spiked
zal vastgestaan hebben
he/she/it will have spiked
zullen vastgestaan hebben
we will have spiked
zullen vastgestaan hebben
you all will have spiked
zullen vastgestaan hebben
they will have spiked
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou vastgestaan hebben
I would have spiked
zou vastgestaan hebben
you would have spiked
zou vastgestaan hebben
he/she/it would have spiked
zouden vastgestaan hebben
we would have spiked
zouden vastgestaan hebben
you all would have spiked
zouden vastgestaan hebben
they would have spiked
Present bijzin tense
vaststa
I spike
vaststaat
you spike
vaststaat
he/she/it spikes
vaststaan
we spike
vaststaan
you all spike
vaststaan
they spike
Past bijzin tense
vaststond
I spiked
vaststond
you spiked
vaststond
he/she/it spiked
vaststonden
we spiked
vaststonden
you all spiked
vaststonden
they spiked
Future bijzin tense
zal vaststaan
I will spike
zult vaststaan
you will spike
zal vaststaan
he/she/it will spike
zullen vaststaan
we will spike
zullen vaststaan
you all will spike
zullen vaststaan
they will spike
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou vaststaan
I would spike
zou vaststaan
you would spike
zou vaststaan
he/she/it would spike
zouden vaststaan
we would spike
zouden vaststaan
you all would spike
zouden vaststaan
they would spike
Subjunctive bijzin mood
vaststa
I spike
vaststa
you spike
vaststa
he/she/it spike
vaststa
we spike
vaststa
you all spike
vaststa
they spike
Du
Ihr
Imperative mood
sta vast
spike
staat vast
spike
Further details about this page
LOCATION
Cooljugator
/
Dutch
/
vaststaan
Back to Top