Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

uittrompetten

to do

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of uittrompetten

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
trompet uit
I do
trompet uit
you do
trompet uit
he/she/it does
trompetten uit
we do
trompetten uit
you all do
trompetten uit
they do
Present perfect tense
heb uitgetrompet
I have done
hebt uitgetrompet
you have done
heeft uitgetrompet
he/she/it has done
hebben uitgetrompet
we have done
hebben uitgetrompet
you all have done
hebben uitgetrompet
they have done
Past tense
trompette uit
I did
trompette uit
you did
trompette uit
he/she/it did
trompetten uit
we did
trompetten uit
you all did
trompetten uit
they did
Future tense
zal uittrompetten
I will do
zult uittrompetten
you will do
zal uittrompetten
he/she/it will do
zullen uittrompetten
we will do
zullen uittrompetten
you all will do
zullen uittrompetten
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou uittrompetten
I would do
zou uittrompetten
you would do
zou uittrompetten
he/she/it would do
zouden uittrompetten
we would do
zouden uittrompetten
you all would do
zouden uittrompetten
they would do
Subjunctive mood
trompette uit
I do
trompette uit
you do
trompette uit
he/she/it do
trompette uit
we do
trompette uit
you all do
trompette uit
they do
Past perfect tense
had uitgetrompet
I had done
had uitgetrompet
you had done
had uitgetrompet
he/she/it had done
hadden uitgetrompet
we had done
hadden uitgetrompet
you all had done
hadden uitgetrompet
they had done
Future perf.
zal uitgetrompet hebben
I will have done
zal uitgetrompet hebben
you will have done
zal uitgetrompet hebben
he/she/it will have done
zullen uitgetrompet hebben
we will have done
zullen uitgetrompet hebben
you all will have done
zullen uitgetrompet hebben
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou uitgetrompet hebben
I would have done
zou uitgetrompet hebben
you would have done
zou uitgetrompet hebben
he/she/it would have done
zouden uitgetrompet hebben
we would have done
zouden uitgetrompet hebben
you all would have done
zouden uitgetrompet hebben
they would have done
Present bijzin tense
uittrompet
I do
uittrompet
you do
uittrompet
he/she/it does
uittrompetten
we do
uittrompetten
you all do
uittrompetten
they do
Past bijzin tense
uittrompette
I did
uittrompette
you did
uittrompette
he/she/it did
uittrompetten
we did
uittrompetten
you all did
uittrompetten
they did
Future bijzin tense
zal uittrompetten
I will do
zult uittrompetten
you will do
zal uittrompetten
he/she/it will do
zullen uittrompetten
we will do
zullen uittrompetten
you all will do
zullen uittrompetten
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou uittrompetten
I would do
zou uittrompetten
you would do
zou uittrompetten
he/she/it would do
zouden uittrompetten
we would do
zouden uittrompetten
you all would do
zouden uittrompetten
they would do
Subjunctive bijzin mood
uittrompette
I do
uittrompette
you do
uittrompette
he/she/it do
uittrompette
we do
uittrompette
you all do
uittrompette
they do
Du
Ihr
Imperative mood
trompet uit
do
trompet uit
do

Further details about this page

LOCATION