Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

uitklauteren

to do

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of uitklauteren

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
klauter uit
I do
klautert uit
you do
klautert uit
he/she/it does
klauteren uit
we do
klauteren uit
you all do
klauteren uit
they do
Present perfect tense
ben uitgeklauterd
I have done
bent uitgeklauterd
you have done
is uitgeklauterd
he/she/it has done
zijn uitgeklauterd
we have done
zijn uitgeklauterd
you all have done
zijn uitgeklauterd
they have done
Past tense
klauterde uit
I did
klauterde uit
you did
klauterde uit
he/she/it did
klauterden uit
we did
klauterden uit
you all did
klauterden uit
they did
Future tense
zal uitklauteren
I will do
zult uitklauteren
you will do
zal uitklauteren
he/she/it will do
zullen uitklauteren
we will do
zullen uitklauteren
you all will do
zullen uitklauteren
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou uitklauteren
I would do
zou uitklauteren
you would do
zou uitklauteren
he/she/it would do
zouden uitklauteren
we would do
zouden uitklauteren
you all would do
zouden uitklauteren
they would do
Subjunctive mood
klautere uit
I do
klautere uit
you do
klautere uit
he/she/it do
klautere uit
we do
klautere uit
you all do
klautere uit
they do
Past perfect tense
was uitgeklauterd
I had done
was uitgeklauterd
you had done
was uitgeklauterd
he/she/it had done
waren uitgeklauterd
we had done
waren uitgeklauterd
you all had done
waren uitgeklauterd
they had done
Future perf.
zal uitgeklauterd zijn
I will have done
zal uitgeklauterd zijn
you will have done
zal uitgeklauterd zijn
he/she/it will have done
zullen uitgeklauterd zijn
we will have done
zullen uitgeklauterd zijn
you all will have done
zullen uitgeklauterd zijn
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou uitgeklauterd zijn
I would have done
zou uitgeklauterd zijn
you would have done
zou uitgeklauterd zijn
he/she/it would have done
zouden uitgeklauterd zijn
we would have done
zouden uitgeklauterd zijn
you all would have done
zouden uitgeklauterd zijn
they would have done
Present bijzin tense
uitklauter
I do
uitklautert
you do
uitklautert
he/she/it does
uitklauteren
we do
uitklauteren
you all do
uitklauteren
they do
Past bijzin tense
uitklauterde
I did
uitklauterde
you did
uitklauterde
he/she/it did
uitklauterden
we did
uitklauterden
you all did
uitklauterden
they did
Future bijzin tense
zal uitklauteren
I will do
zult uitklauteren
you will do
zal uitklauteren
he/she/it will do
zullen uitklauteren
we will do
zullen uitklauteren
you all will do
zullen uitklauteren
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou uitklauteren
I would do
zou uitklauteren
you would do
zou uitklauteren
he/she/it would do
zouden uitklauteren
we would do
zouden uitklauteren
you all would do
zouden uitklauteren
they would do
Subjunctive bijzin mood
uitklautere
I do
uitklautere
you do
uitklautere
he/she/it do
uitklautere
we do
uitklautere
you all do
uitklautere
they do
Du
Ihr
Imperative mood
klauter uit
do
klautert uit
do

Further details about this page

LOCATION