Conjugation
Etymology
Blog
Courses
Get a Dutch Tutor
Conjugation
Etymology
Blog
uitjubelen
to do
Conjugation
Details
Looking for learning resources?
Study with our courses!
Get a full course →
Conjugation
of
uitjubelen
Translation
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
jubel uit
I do
jubelt uit
you do
jubelt uit
he/she/it does
jubelen uit
we do
jubelen uit
you all do
jubelen uit
they do
Present perfect tense
heb uitgejubeld
I have done
hebt uitgejubeld
you have done
heeft uitgejubeld
he/she/it has done
hebben uitgejubeld
we have done
hebben uitgejubeld
you all have done
hebben uitgejubeld
they have done
Past tense
jubelde uit
I did
jubelde uit
you did
jubelde uit
he/she/it did
jubelden uit
we did
jubelden uit
you all did
jubelden uit
they did
Future tense
zal uitjubelen
I will do
zult uitjubelen
you will do
zal uitjubelen
he/she/it will do
zullen uitjubelen
we will do
zullen uitjubelen
you all will do
zullen uitjubelen
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou uitjubelen
I would do
zou uitjubelen
you would do
zou uitjubelen
he/she/it would do
zouden uitjubelen
we would do
zouden uitjubelen
you all would do
zouden uitjubelen
they would do
Subjunctive mood
jubele uit
I do
jubele uit
you do
jubele uit
he/she/it do
jubele uit
we do
jubele uit
you all do
jubele uit
they do
Past perfect tense
had uitgejubeld
I had done
had uitgejubeld
you had done
had uitgejubeld
he/she/it had done
hadden uitgejubeld
we had done
hadden uitgejubeld
you all had done
hadden uitgejubeld
they had done
Future perf.
zal uitgejubeld hebben
I will have done
zal uitgejubeld hebben
you will have done
zal uitgejubeld hebben
he/she/it will have done
zullen uitgejubeld hebben
we will have done
zullen uitgejubeld hebben
you all will have done
zullen uitgejubeld hebben
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou uitgejubeld hebben
I would have done
zou uitgejubeld hebben
you would have done
zou uitgejubeld hebben
he/she/it would have done
zouden uitgejubeld hebben
we would have done
zouden uitgejubeld hebben
you all would have done
zouden uitgejubeld hebben
they would have done
Present bijzin tense
uitjubel
I do
uitjubelt
you do
uitjubelt
he/she/it does
uitjubelen
we do
uitjubelen
you all do
uitjubelen
they do
Past bijzin tense
uitjubelde
I did
uitjubelde
you did
uitjubelde
he/she/it did
uitjubelden
we did
uitjubelden
you all did
uitjubelden
they did
Future bijzin tense
zal uitjubelen
I will do
zult uitjubelen
you will do
zal uitjubelen
he/she/it will do
zullen uitjubelen
we will do
zullen uitjubelen
you all will do
zullen uitjubelen
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou uitjubelen
I would do
zou uitjubelen
you would do
zou uitjubelen
he/she/it would do
zouden uitjubelen
we would do
zouden uitjubelen
you all would do
zouden uitjubelen
they would do
Subjunctive bijzin mood
uitjubele
I do
uitjubele
you do
uitjubele
he/she/it do
uitjubele
we do
uitjubele
you all do
uitjubele
they do
Du
Ihr
Imperative mood
jubel uit
do
jubelt uit
do
Further details about this page
LOCATION
Cooljugator
/
Dutch
/
uitjubelen
Back to Top