Speak any language with confidence

Take our quick quiz to start your journey to fluency today!

Get started

Presumeren (to do) conjugation

Dutch
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
presumeer
presumeert
presumeert
presumeren
presumeren
presumeren
Present perfect tense
heb gepresumeerd
hebt gepresumeerd
heeft gepresumeerd
hebben gepresumeerd
hebben gepresumeerd
hebben gepresumeerd
Past tense
presumeerde
presumeerde
presumeerde
presumeerden
presumeerden
presumeerden
Future tense
zal presumeren
zult presumeren
zal presumeren
zullen presumeren
zullen presumeren
zullen presumeren
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou presumeren
zou presumeren
zou presumeren
zouden presumeren
zouden presumeren
zouden presumeren
Subjunctive mood
presumere
presumere
presumere
presumere
presumere
presumere
Past perfect tense
had gepresumeerd
had gepresumeerd
had gepresumeerd
hadden gepresumeerd
hadden gepresumeerd
hadden gepresumeerd
Future perf.
zal gepresumeerd hebben
zal gepresumeerd hebben
zal gepresumeerd hebben
zullen gepresumeerd hebben
zullen gepresumeerd hebben
zullen gepresumeerd hebben
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gepresumeerd hebben
zou gepresumeerd hebben
zou gepresumeerd hebben
zouden gepresumeerd hebben
zouden gepresumeerd hebben
zouden gepresumeerd hebben
Du
Ihr
Imperative mood
presumeer
presumeert

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

presideren
preside

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'do':

None found.