Conjugation
Etymology
Blog
Courses
Get a Dutch Tutor
Conjugation
Etymology
Blog
gelijkzetten
to adjust
Conjugation
Details
Looking for learning resources?
Study with our courses!
Get a full course →
Conjugation
of
gelijkzetten
Translation
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
zet gelijk
I adjust
zet gelijk
you adjust
zet gelijk
he/she/it adjusts
zetten gelijk
we adjust
zetten gelijk
you all adjust
zetten gelijk
they adjust
Present perfect tense
heb gelijkgezet
I have adjusted
hebt gelijkgezet
you have adjusted
heeft gelijkgezet
he/she/it has adjusted
hebben gelijkgezet
we have adjusted
hebben gelijkgezet
you all have adjusted
hebben gelijkgezet
they have adjusted
Past tense
zette gelijk
I adjusted
zette gelijk
you adjusted
zette gelijk
he/she/it adjusted
zetten gelijk
we adjusted
zetten gelijk
you all adjusted
zetten gelijk
they adjusted
Future tense
zal gelijkzetten
I will adjust
zult gelijkzetten
you will adjust
zal gelijkzetten
he/she/it will adjust
zullen gelijkzetten
we will adjust
zullen gelijkzetten
you all will adjust
zullen gelijkzetten
they will adjust
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou gelijkzetten
I would adjust
zou gelijkzetten
you would adjust
zou gelijkzetten
he/she/it would adjust
zouden gelijkzetten
we would adjust
zouden gelijkzetten
you all would adjust
zouden gelijkzetten
they would adjust
Subjunctive mood
zette gelijk
I adjust
zette gelijk
you adjust
zette gelijk
he/she/it adjust
zette gelijk
we adjust
zette gelijk
you all adjust
zette gelijk
they adjust
Past perfect tense
had gelijkgezet
I had adjusted
had gelijkgezet
you had adjusted
had gelijkgezet
he/she/it had adjusted
hadden gelijkgezet
we had adjusted
hadden gelijkgezet
you all had adjusted
hadden gelijkgezet
they had adjusted
Future perf.
zal gelijkgezet hebben
I will have adjusted
zal gelijkgezet hebben
you will have adjusted
zal gelijkgezet hebben
he/she/it will have adjusted
zullen gelijkgezet hebben
we will have adjusted
zullen gelijkgezet hebben
you all will have adjusted
zullen gelijkgezet hebben
they will have adjusted
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gelijkgezet hebben
I would have adjusted
zou gelijkgezet hebben
you would have adjusted
zou gelijkgezet hebben
he/she/it would have adjusted
zouden gelijkgezet hebben
we would have adjusted
zouden gelijkgezet hebben
you all would have adjusted
zouden gelijkgezet hebben
they would have adjusted
Present bijzin tense
gelijkzet
I adjust
gelijkzet
you adjust
gelijkzet
he/she/it adjusts
gelijkzetten
we adjust
gelijkzetten
you all adjust
gelijkzetten
they adjust
Past bijzin tense
gelijkzette
I adjusted
gelijkzette
you adjusted
gelijkzette
he/she/it adjusted
gelijkzetten
we adjusted
gelijkzetten
you all adjusted
gelijkzetten
they adjusted
Future bijzin tense
zal gelijkzetten
I will adjust
zult gelijkzetten
you will adjust
zal gelijkzetten
he/she/it will adjust
zullen gelijkzetten
we will adjust
zullen gelijkzetten
you all will adjust
zullen gelijkzetten
they will adjust
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou gelijkzetten
I would adjust
zou gelijkzetten
you would adjust
zou gelijkzetten
he/she/it would adjust
zouden gelijkzetten
we would adjust
zouden gelijkzetten
you all would adjust
zouden gelijkzetten
they would adjust
Subjunctive bijzin mood
gelijkzette
I adjust
gelijkzette
you adjust
gelijkzette
he/she/it adjust
gelijkzette
we adjust
gelijkzette
you all adjust
gelijkzette
they adjust
Du
Ihr
Imperative mood
zet gelijk
adjust
zet gelijk
adjust
Further details about this page
LOCATION
Cooljugator
/
Dutch
/
gelijkzetten
Back to Top