Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

gelijktrekken

to reconcile

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of gelijktrekken

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
trek gelijk
I reconcile
trekt gelijk
you reconcile
trekt gelijk
he/she/it reconciles
trekken gelijk
we reconcile
trekken gelijk
you all reconcile
trekken gelijk
they reconcile
Present perfect tense
heb gelijkgetrokken
I have reconciled
hebt gelijkgetrokken
you have reconciled
heeft gelijkgetrokken
he/she/it has reconciled
hebben gelijkgetrokken
we have reconciled
hebben gelijkgetrokken
you all have reconciled
hebben gelijkgetrokken
they have reconciled
Past tense
trok gelijk
I reconciled
trok gelijk
you reconciled
trok gelijk
he/she/it reconciled
trokken gelijk
we reconciled
trokken gelijk
you all reconciled
trokken gelijk
they reconciled
Future tense
zal gelijktrekken
I will reconcile
zult gelijktrekken
you will reconcile
zal gelijktrekken
he/she/it will reconcile
zullen gelijktrekken
we will reconcile
zullen gelijktrekken
you all will reconcile
zullen gelijktrekken
they will reconcile
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou gelijktrekken
I would reconcile
zou gelijktrekken
you would reconcile
zou gelijktrekken
he/she/it would reconcile
zouden gelijktrekken
we would reconcile
zouden gelijktrekken
you all would reconcile
zouden gelijktrekken
they would reconcile
Subjunctive mood
trekke gelijk
I reconcile
trekke gelijk
you reconcile
trekke gelijk
he/she/it reconcile
trekke gelijk
we reconcile
trekke gelijk
you all reconcile
trekke gelijk
they reconcile
Past perfect tense
had gelijkgetrokken
I had reconciled
had gelijkgetrokken
you had reconciled
had gelijkgetrokken
he/she/it had reconciled
hadden gelijkgetrokken
we had reconciled
hadden gelijkgetrokken
you all had reconciled
hadden gelijkgetrokken
they had reconciled
Future perf.
zal gelijkgetrokken hebben
I will have reconciled
zal gelijkgetrokken hebben
you will have reconciled
zal gelijkgetrokken hebben
he/she/it will have reconciled
zullen gelijkgetrokken hebben
we will have reconciled
zullen gelijkgetrokken hebben
you all will have reconciled
zullen gelijkgetrokken hebben
they will have reconciled
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gelijkgetrokken hebben
I would have reconciled
zou gelijkgetrokken hebben
you would have reconciled
zou gelijkgetrokken hebben
he/she/it would have reconciled
zouden gelijkgetrokken hebben
we would have reconciled
zouden gelijkgetrokken hebben
you all would have reconciled
zouden gelijkgetrokken hebben
they would have reconciled
Present bijzin tense
gelijktrek
I reconcile
gelijktrekt
you reconcile
gelijktrekt
he/she/it reconciles
gelijktrekken
we reconcile
gelijktrekken
you all reconcile
gelijktrekken
they reconcile
Past bijzin tense
gelijktrok
I reconciled
gelijktrok
you reconciled
gelijktrok
he/she/it reconciled
gelijktrokken
we reconciled
gelijktrokken
you all reconciled
gelijktrokken
they reconciled
Future bijzin tense
zal gelijktrekken
I will reconcile
zult gelijktrekken
you will reconcile
zal gelijktrekken
he/she/it will reconcile
zullen gelijktrekken
we will reconcile
zullen gelijktrekken
you all will reconcile
zullen gelijktrekken
they will reconcile
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou gelijktrekken
I would reconcile
zou gelijktrekken
you would reconcile
zou gelijktrekken
he/she/it would reconcile
zouden gelijktrekken
we would reconcile
zouden gelijktrekken
you all would reconcile
zouden gelijktrekken
they would reconcile
Subjunctive bijzin mood
gelijktrekke
I reconcile
gelijktrekke
you reconcile
gelijktrekke
he/she/it reconcile
gelijktrekke
we reconcile
gelijktrekke
you all reconcile
gelijktrekke
they reconcile
Du
Ihr
Imperative mood
trek gelijk
reconcile
trekt gelijk
reconcile

Further details about this page

LOCATION