Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

gelijkmaken

to equalize

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of gelijkmaken

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
maak gelijk
I equalize
maakt gelijk
you equalize
maakt gelijk
he/she/it equalizes
maken gelijk
we equalize
maken gelijk
you all equalize
maken gelijk
they equalize
Present perfect tense
heb gelijkgemaakt
I have equalized
hebt gelijkgemaakt
you have equalized
heeft gelijkgemaakt
he/she/it has equalized
hebben gelijkgemaakt
we have equalized
hebben gelijkgemaakt
you all have equalized
hebben gelijkgemaakt
they have equalized
Past tense
maakte gelijk
I equalized
maakte gelijk
you equalized
maakte gelijk
he/she/it equalized
maakten gelijk
we equalized
maakten gelijk
you all equalized
maakten gelijk
they equalized
Future tense
zal gelijkmaken
I will equalize
zult gelijkmaken
you will equalize
zal gelijkmaken
he/she/it will equalize
zullen gelijkmaken
we will equalize
zullen gelijkmaken
you all will equalize
zullen gelijkmaken
they will equalize
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou gelijkmaken
I would equalize
zou gelijkmaken
you would equalize
zou gelijkmaken
he/she/it would equalize
zouden gelijkmaken
we would equalize
zouden gelijkmaken
you all would equalize
zouden gelijkmaken
they would equalize
Subjunctive mood
make gelijk
I equalize
make gelijk
you equalize
make gelijk
he/she/it equalize
make gelijk
we equalize
make gelijk
you all equalize
make gelijk
they equalize
Past perfect tense
had gelijkgemaakt
I had equalized
had gelijkgemaakt
you had equalized
had gelijkgemaakt
he/she/it had equalized
hadden gelijkgemaakt
we had equalized
hadden gelijkgemaakt
you all had equalized
hadden gelijkgemaakt
they had equalized
Future perf.
zal gelijkgemaakt hebben
I will have equalized
zal gelijkgemaakt hebben
you will have equalized
zal gelijkgemaakt hebben
he/she/it will have equalized
zullen gelijkgemaakt hebben
we will have equalized
zullen gelijkgemaakt hebben
you all will have equalized
zullen gelijkgemaakt hebben
they will have equalized
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou gelijkgemaakt hebben
I would have equalized
zou gelijkgemaakt hebben
you would have equalized
zou gelijkgemaakt hebben
he/she/it would have equalized
zouden gelijkgemaakt hebben
we would have equalized
zouden gelijkgemaakt hebben
you all would have equalized
zouden gelijkgemaakt hebben
they would have equalized
Present bijzin tense
gelijkmaak
I equalize
gelijkmaakt
you equalize
gelijkmaakt
he/she/it equalizes
gelijkmaken
we equalize
gelijkmaken
you all equalize
gelijkmaken
they equalize
Past bijzin tense
gelijkmaakte
I equalized
gelijkmaakte
you equalized
gelijkmaakte
he/she/it equalized
gelijkmaakten
we equalized
gelijkmaakten
you all equalized
gelijkmaakten
they equalized
Future bijzin tense
zal gelijkmaken
I will equalize
zult gelijkmaken
you will equalize
zal gelijkmaken
he/she/it will equalize
zullen gelijkmaken
we will equalize
zullen gelijkmaken
you all will equalize
zullen gelijkmaken
they will equalize
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou gelijkmaken
I would equalize
zou gelijkmaken
you would equalize
zou gelijkmaken
he/she/it would equalize
zouden gelijkmaken
we would equalize
zouden gelijkmaken
you all would equalize
zouden gelijkmaken
they would equalize
Subjunctive bijzin mood
gelijkmake
I equalize
gelijkmake
you equalize
gelijkmake
he/she/it equalize
gelijkmake
we equalize
gelijkmake
you all equalize
gelijkmake
they equalize
Du
Ihr
Imperative mood
maak gelijk
equalize
maakt gelijk
equalize

Further details about this page

LOCATION