Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

deelhebben

to do

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of deelhebben

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
heb deel
I do
hebt deel
you do
hebt deel
he/she/it does
hebben deel
we do
hebben deel
you all do
hebben deel
they do
Present perfect tense
heb deelgehad
I have done
hebt deelgehad
you have done
heeft deelgehad
he/she/it has done
hebben deelgehad
we have done
hebben deelgehad
you all have done
hebben deelgehad
they have done
Past tense
had deel
I did
had deel
you did
had deel
he/she/it did
hadden deel
we did
hadden deel
you all did
hadden deel
they did
Future tense
zal deelhebben
I will do
zult deelhebben
you will do
zal deelhebben
he/she/it will do
zullen deelhebben
we will do
zullen deelhebben
you all will do
zullen deelhebben
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou deelhebben
I would do
zou deelhebben
you would do
zou deelhebben
he/she/it would do
zouden deelhebben
we would do
zouden deelhebben
you all would do
zouden deelhebben
they would do
Subjunctive mood
hebbe deel
I do
hebbe deel
you do
hebbe deel
he/she/it do
hebbe deel
we do
hebbe deel
you all do
hebbe deel
they do
Past perfect tense
had deelgehad
I had done
had deelgehad
you had done
had deelgehad
he/she/it had done
hadden deelgehad
we had done
hadden deelgehad
you all had done
hadden deelgehad
they had done
Future perf.
zal deelgehad hebben
I will have done
zal deelgehad hebben
you will have done
zal deelgehad hebben
he/she/it will have done
zullen deelgehad hebben
we will have done
zullen deelgehad hebben
you all will have done
zullen deelgehad hebben
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou deelgehad hebben
I would have done
zou deelgehad hebben
you would have done
zou deelgehad hebben
he/she/it would have done
zouden deelgehad hebben
we would have done
zouden deelgehad hebben
you all would have done
zouden deelgehad hebben
they would have done
Present bijzin tense
deelheb
I do
deelhebt
you do
deelhebt
he/she/it does
deelhebben
we do
deelhebben
you all do
deelhebben
they do
Past bijzin tense
deelhad
I did
deelhad
you did
deelhad
he/she/it did
deelhadden
we did
deelhadden
you all did
deelhadden
they did
Future bijzin tense
zal deelhebben
I will do
zult deelhebben
you will do
zal deelhebben
he/she/it will do
zullen deelhebben
we will do
zullen deelhebben
you all will do
zullen deelhebben
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou deelhebben
I would do
zou deelhebben
you would do
zou deelhebben
he/she/it would do
zouden deelhebben
we would do
zouden deelhebben
you all would do
zouden deelhebben
they would do
Subjunctive bijzin mood
deelhebbe
I do
deelhebbe
you do
deelhebbe
he/she/it do
deelhebbe
we do
deelhebbe
you all do
deelhebbe
they do
Du
Ihr
Imperative mood
heb deel
do
hebt deel
do

Further details about this page

LOCATION