Afslanken (to do) conjugation

Dutch
5 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
slank af
I do
slankt af
you do
slankt af
he/she/it does
slanken af
we do
slanken af
you all do
slanken af
they do
Present perfect tense
heb afgeslankt
I have done
hebt afgeslankt
you have done
heeft afgeslankt
he/she/it has done
hebben afgeslankt
we have done
hebben afgeslankt
you all have done
hebben afgeslankt
they have done
Past tense
slankte af
I did
slankte af
you did
slankte af
he/she/it did
slankten af
we did
slankten af
you all did
slankten af
they did
Future tense
zal afslanken
I will do
zult afslanken
you will do
zal afslanken
he/she/it will do
zullen afslanken
we will do
zullen afslanken
you all will do
zullen afslanken
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou afslanken
I would do
zou afslanken
you would do
zou afslanken
he/she/it would do
zouden afslanken
we would do
zouden afslanken
you all would do
zouden afslanken
they would do
Subjunctive mood
slanke af
I do
slanke af
you do
slanke af
he/she/it do
slanke af
we do
slanke af
you all do
slanke af
they do
Past perfect tense
had afgeslankt
I had done
had afgeslankt
you had done
had afgeslankt
he/she/it had done
hadden afgeslankt
we had done
hadden afgeslankt
you all had done
hadden afgeslankt
they had done
Future perf.
zal afgeslankt hebben
I will have done
zal afgeslankt hebben
you will have done
zal afgeslankt hebben
he/she/it will have done
zullen afgeslankt hebben
we will have done
zullen afgeslankt hebben
you all will have done
zullen afgeslankt hebben
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou afgeslankt hebben
I would have done
zou afgeslankt hebben
you would have done
zou afgeslankt hebben
he/she/it would have done
zouden afgeslankt hebben
we would have done
zouden afgeslankt hebben
you all would have done
zouden afgeslankt hebben
they would have done
Present bijzin tense
afslank
I do
afslankt
you do
afslankt
he/she/it does
afslanken
we do
afslanken
you all do
afslanken
they do
Past bijzin tense
afslankte
I did
afslankte
you did
afslankte
he/she/it did
afslankten
we did
afslankten
you all did
afslankten
they did
Future bijzin tense
zal afslanken
I will do
zult afslanken
you will do
zal afslanken
he/she/it will do
zullen afslanken
we will do
zullen afslanken
you all will do
zullen afslanken
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou afslanken
I would do
zou afslanken
you would do
zou afslanken
he/she/it would do
zouden afslanken
we would do
zouden afslanken
you all would do
zouden afslanken
they would do
Subjunctive bijzin mood
afslanke
I do
afslanke
you do
afslanke
he/she/it do
afslanke
we do
afslanke
you all do
afslanke
they do
Du
Ihr
Imperative mood
slank af
do
slankt af
do

Examples of afslanken

Example in DutchTranslation in English
Hij laat deze dikke dames afslanken.Well, l'm gonna train you to do it in 467 feet.
Hij ziet dat afslanken als z'n belangrijkste taak.I'm afraid He's beginning to see slimming down the Service as his main task.
Iedereen die dit gebruikt, kan het bedrijf snel afslanken.Well, theoretically, you could put it in the hands of anyone and they'd be downsizing immediately.
Maar hoe gaan we de ambtenarij dan afslanken?Fine. What do we actually going to do to slim down the Civil Service?
Misschien moet je wat afslanken.You may want to think about slimming down... a bit though.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

afslappen
do

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'do':

None found.
Learning languages?

Receive top verbs, tips and our newsletter free!

Languages Interested In