Adresseren (to address) conjugation

Dutch
17 examples

Conjugation of eiti

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
adresseer
I address
adresseert
you address
adresseert
he/she/it addresses
adresseren
we address
adresseren
you all address
adresseren
they address
Present perfect tense
heb geadresseerd
I have addressed
hebt geadresseerd
you have addressed
heeft geadresseerd
he/she/it has addressed
hebben geadresseerd
we have addressed
hebben geadresseerd
you all have addressed
hebben geadresseerd
they have addressed
Past tense
adresseerde
I addressed
adresseerde
you addressed
adresseerde
he/she/it addressed
adresseerden
we addressed
adresseerden
you all addressed
adresseerden
they addressed
Future tense
zal adresseren
I will address
zult adresseren
you will address
zal adresseren
he/she/it will address
zullen adresseren
we will address
zullen adresseren
you all will address
zullen adresseren
they will address
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou adresseren
I would address
zou adresseren
you would address
zou adresseren
he/she/it would address
zouden adresseren
we would address
zouden adresseren
you all would address
zouden adresseren
they would address
Subjunctive mood
adressere
I address
adressere
you address
adressere
he/she/it address
adressere
we address
adressere
you all address
adressere
they address
Past perfect tense
had geadresseerd
I had addressed
had geadresseerd
you had addressed
had geadresseerd
he/she/it had addressed
hadden geadresseerd
we had addressed
hadden geadresseerd
you all had addressed
hadden geadresseerd
they had addressed
Future perf.
zal geadresseerd hebben
I will have addressed
zal geadresseerd hebben
you will have addressed
zal geadresseerd hebben
he/she/it will have addressed
zullen geadresseerd hebben
we will have addressed
zullen geadresseerd hebben
you all will have addressed
zullen geadresseerd hebben
they will have addressed
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou geadresseerd hebben
I would have addressed
zou geadresseerd hebben
you would have addressed
zou geadresseerd hebben
he/she/it would have addressed
zouden geadresseerd hebben
we would have addressed
zouden geadresseerd hebben
you all would have addressed
zouden geadresseerd hebben
they would have addressed
Du
Ihr
Imperative mood
adresseer
address
adresseert
address

Examples of adresseren

Example in DutchTranslation in English
Die uitnodigingen adresseren zichzelf niet.Those party invites aren't gonna address themselves.
Een mooie prinses met zachte ogen en zeven benen adresseren haar leger van septipedal helden.A beautiful princess with soft eyes and seven legs addresses her army of septipedal heroes.
En misschien kun je mij een kaart uit het Caribisch gebied sturen en het adresseren naar...And maybe you could send me a postcard from the Caribbean and address it to me at...
En op deze gelegenheid, vraagde President Bush aan Dr. S om de natie te adresseren.And on this occasion, President Bush himself has asked that Dr. S address the nation.
Er moet een andere manier zijn om jouw eisen te adresseren.There must be some other way we can address your demands.
- Ik adresseer ze voor een postorderbedrijf.I address them for a mail-order house.
En als u de resultaten terugstuurt, adresseer ze dan aan mij persoonlijk, oké?And when you send back the findings, address them to me personally, okay?
Het is met een gevoel van verering en eer, dat ik u adresseer, mijn privé raadgevers, als uw bondgenoot en Koningin.It is with a sense of reverence and honour that I address you, my Privy Councillors, as your Sovereign and Queen.
Maar als je iets wilt versturen, adresseer het dan aan Donald Miller.But if you're gonna send something there, address it to Donald Miller.
Steek het bewijs in de envelop... en adresseer ze naar iemand anders dan mij...Put the evidence you have into an envelope, and address it to someone other than me.
U bent een kapitein en een ondergeschikte, onthoud dat wanneer u mij adresseert.You are a Captain and a subordinate Officer, and you will remember that when addressing me.
- Dat is aan Tuttle geadresseerd.That is addressed to Captain Tuttle.
- Dit was geadresseerd aan m'n vader.This arrived, addressed to me dad.
- Het is aan hem geadresseerd.- It's addressed to him.
- Het is aan jou geadresseerd.It's addressed to you, care of here.
- Het was geadresseerd aan... de archieven van het Duister ter attentie van Bo, geschreven in Bo haar handschrift.- It was addressed to the Dark Archives c/o Bo in Bo's handwriting.
De briefschrijver adresseerde hem aan de kinderbescherming.Whoever wrote this letter, addressed it to the Department of Children's Services.

More Dutch verbs

Related

Not found
We have none.

Similar

Not found
We have none.

Similar but longer

Not found
We have none.

Other Dutch verbs with the meaning similar to 'address':

None found.
Learning languages?