Cooljugator Logo Get a Dutch Tutor

aaneenbrengen

to do

Looking for learning resources? Study with our courses! Get a full course →

Conjugation of aaneenbrengen

Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Present tense
breng aaneen
I do
brengt aaneen
you do
brengt aaneen
he/she/it does
brengen aaneen
we do
brengen aaneen
you all do
brengen aaneen
they do
Present perfect tense
heb aaneengebracht
I have done
hebt aaneengebracht
you have done
heeft aaneengebracht
he/she/it has done
hebben aaneengebracht
we have done
hebben aaneengebracht
you all have done
hebben aaneengebracht
they have done
Past tense
bracht aaneen
I did
bracht aaneen
you did
bracht aaneen
he/she/it did
brachten aaneen
we did
brachten aaneen
you all did
brachten aaneen
they did
Future tense
zal aaneenbrengen
I will do
zult aaneenbrengen
you will do
zal aaneenbrengen
he/she/it will do
zullen aaneenbrengen
we will do
zullen aaneenbrengen
you all will do
zullen aaneenbrengen
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional mood
zou aaneenbrengen
I would do
zou aaneenbrengen
you would do
zou aaneenbrengen
he/she/it would do
zouden aaneenbrengen
we would do
zouden aaneenbrengen
you all would do
zouden aaneenbrengen
they would do
Subjunctive mood
brenge aaneen
I do
brenge aaneen
you do
brenge aaneen
he/she/it do
brenge aaneen
we do
brenge aaneen
you all do
brenge aaneen
they do
Past perfect tense
had aaneengebracht
I had done
had aaneengebracht
you had done
had aaneengebracht
he/she/it had done
hadden aaneengebracht
we had done
hadden aaneengebracht
you all had done
hadden aaneengebracht
they had done
Future perf.
zal aaneengebracht hebben
I will have done
zal aaneengebracht hebben
you will have done
zal aaneengebracht hebben
he/she/it will have done
zullen aaneengebracht hebben
we will have done
zullen aaneengebracht hebben
you all will have done
zullen aaneengebracht hebben
they will have done
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional perfect tense
zou aaneengebracht hebben
I would have done
zou aaneengebracht hebben
you would have done
zou aaneengebracht hebben
he/she/it would have done
zouden aaneengebracht hebben
we would have done
zouden aaneengebracht hebben
you all would have done
zouden aaneengebracht hebben
they would have done
Present bijzin tense
aaneenbreng
I do
aaneenbrengt
you do
aaneenbrengt
he/she/it does
aaneenbrengen
we do
aaneenbrengen
you all do
aaneenbrengen
they do
Past bijzin tense
aaneenbracht
I did
aaneenbracht
you did
aaneenbracht
he/she/it did
aaneenbrachten
we did
aaneenbrachten
you all did
aaneenbrachten
they did
Future bijzin tense
zal aaneenbrengen
I will do
zult aaneenbrengen
you will do
zal aaneenbrengen
he/she/it will do
zullen aaneenbrengen
we will do
zullen aaneenbrengen
you all will do
zullen aaneenbrengen
they will do
Ik
Jij/Je/U
Hij/Zij/Het
Wij/We
Jullie
Zij
Conditional bijzin mood
zou aaneenbrengen
I would do
zou aaneenbrengen
you would do
zou aaneenbrengen
he/she/it would do
zouden aaneenbrengen
we would do
zouden aaneenbrengen
you all would do
zouden aaneenbrengen
they would do
Subjunctive bijzin mood
aaneenbrenge
I do
aaneenbrenge
you do
aaneenbrenge
he/she/it do
aaneenbrenge
we do
aaneenbrenge
you all do
aaneenbrenge
they do
Du
Ihr
Imperative mood
breng aaneen
do
brengt aaneen
do

Further details about this page

LOCATION